In de les Nederlands is klas 2H1 bezig geweest met creatief schrijven. Ze mochten onbeperkt hun fantasie gebruiken en ze kregen de vrijheid om te schrijven waarover zij wilden schrijven. Een verhaal over monsters, liefde, robots, dieren die kunnen praten.. Het mocht allemaal! Iedereen heeft zijn/haar best gedaan en er zijn veel leuke verhalen geschreven. Deze verhalen sprongen er echter uit en die willen we jullie niet onthouden! Dus: ga er even lekker voor zitten en lees deze drie verhalen. Veel leesplezier!

D.A.V
Door: Luca Dekker (2H1)

Hoofdstuk 1: Het begin

Zondag 6 April 2025

Het is precies 5 jaar geleden toen het gebeurde: Ik was s’ ochtends vroeg alleen thuis en ik moest, voordat ik naar school ging, de vuilnis in de vuilnisbak doen. Toen ik de vuilniszak erin had gedaan, hoorde ik rechts van mij een harde knal. Een paar seconden later zag ik boven de plek waar de knal was geweest een grote rookwolk. Ik liep rustig naar binnen, pakte mijn spullen om naar school te gaan, maar de tv stond nog aan in de keuken. Op het moment dat ik de tv wilde uitdoen, kwam er een noodbericht op tv. Er werd verteld dat iedereen weg moest gaan, want er was een vrachtwagen geëxplodeerd met een giftige stof die dodelijk is. Ze adviseerden om naar het noorden te gaan. Ik dacht: ik kan niks. Toen bedacht ik me dat mijn vader mij had geleerd hoe ik een auto moest starten zonder sleutel, dus eigenlijk gewoon stelen. Ik pakte zo snel mogelijk een rugzak. Ik stopte er zakken chips, een zak drop, een liter fles water, twee blikjes cola, een mes, ducttape, een mobiele telefoon, een pakje lucifers, twee mondkapjes en nog wat extra kleding in. Uiteindelijk had ik alles gepakt. Ik rende zo snel mogelijk met mijn rugzak en mondkapje op naar een dichtstbijzijnde auto, dat was de Volkswagen Tiguan Allspace. Terwijl ik de deur van de auto probeerde open te maken, hoorde ik om mij heen veel explosies, sirenegeluiden van de politie en brandweer en piepende banden van de auto’s op de singel. Er reed in de tussentijd een kleine auto achter mijn rug om en hij botste in de verte tegen een lantaarnpaal aan. Terwijl dat gebeurde had ik de deur van de auto open gekregen. Ik ging zitten en opende onder het stuur bij het contactslot een stukje. Ik rommelde wat met de kabels en had hem na twee minuten gestart. Toen de auto was gestart, reed ik de parkeerplek af en reed naar de dichtstbijzijnde weg om naar het noorden te rijden. Na een tijdje op de weg gereden te hebben, kwam ik in een lange file terecht. Uiteindelijk zag ik achter mij, door de achteruitkijkspiegel, in de verte een vuilniswagen rijden die tegen allemaal auto’s botste. De vuilniswagen kwam steeds dichter- en dichterbij. Eenmaal bij mij aangekomen reed hij langs mij heen, verder naar voren waar hij uiteindelijk stopte. Ik pakte mijn kans om verder naar voren te rijden. Waar de vuilniswagen was gestopt zag ik uit de hele vuilniswagen mensen komen, maar ze leken niet echt op mensen omdat ze onder het bloed zaten, tanden als die van wolven hadden, een heel erg gebogen rug en groengrijs bruinige huidskleur. Ze leken wel op zombies. Ik dacht: dit is foute boel! De uitgestapte mensen uit de vuilniswagen waren heel agressief geworden en renden mijn kant en die van de andere bestuurders op. Ik schakelde zo snel mogelijk in de achteruit en trapte zo hard mogelijk op het gaspedaal. Uit angst bleef ik maar drukken op het gaspedaal.
Met een flits zag ik een rode auto uit de rij auto’s komen. Met een harde snelheid botste ik tegen de rode auto. Mijn auto vloog de lucht in en belandde met een harde knal tegen de grond aan, op zijn zij. Na drie seconden kwam ik pas weer bij bewustzijn. Ik maakte mijn riem, met harde hoofdpijn, zo snel mogelijk los, pakte mijn tas, trapte de deur open, klom uit de auto en rende zo snel mogelijk weg. Ik rende van de grote groep zombies vandaan. Ik zag in de verte een camper staan. Toen ik naar de camper rende, zag ik om mij heen allemaal mensen die aangevallen werden door de zombies. Eenmaal bij de camper gekomen, stapte ik naar binnen, startte de camper en reed zo snel mogelijk weg richting de snelweg. Tijdens het rijden hoorde ik achter in de camper rare geluiden, het leek wel alsof iemand aan het huilen was. Ik parkeerde de camper naast een afgelegen plek van de stad. Ik liep met een mes voorzichtig naar achter om te kijken wat er was. Ik hoorde het gejank onder één van de zitplaatsen vandaan komen. Ik haalde de kussen van de bank en zag dat er een heel klein meisje van een jaar of negen in zat. Ze zat te huilen met haar knuffelbeer in haar hand. Ik legde voorzichtig mijn mes op het keukenblad van de camper en probeerde rustig aan het meisje te vragen hoe ze heette. Ze reageerde niet dus begon ik mijzelf voor te stellen. Ik zei dat mijn naam Jeffrey was en mijn achternaam Harrison. Toen begon ze al minder te huilen. Ik vertelde dat ik zestien jaar was en de meeste tijd van mijn jeugd alleen heb overleefd. Daarna vertelde ik op een kindvriendelijke manier wat ik die dag had meegemaakt. Ik zei tegen het meisje dat ze in goede handen was en dat ze veilig was. Op dat moment veegde ze haar tranen weg met haar kleine handen en snikkend zei ze: “Ik heet Sarah Walker en ik ben 10 jaar oud.” Voor de rest zei ze niks meer. Toen vroeg ik aan haar of ze bij mij voorin wilde zitten. Ze zei: “Ja” en knikte met haar hoofd. Ik zette haar op de bijrijdersstoel en maakte haar riem vast. Ik ging weer op de bestuurdersstoel zitten en pakte de mobiele telefoon uit mijn tas. Ik startte de telefoon op, opende mijn contacten en zocht mijn vaders nummer op. Ik tikte op mijn vaders nummer om te bellen, de telefoon ging over en 4 seconden later had ik mijn vader aan de telefoon. Ik kon niks zeggen of hij begon al te vragen waar ik was. Ik zei dat ik niet wist waar ik was en dat ik richting de boomhut van mijn jeugdjaren aan het rijden was. De boomhut was in het bos naast de boerderij van mijn overleden opa en oma. Hij zei dat hij mij bij de boerderij zou ophalen en hing heel snel op.

 

Hoofstuk 2: De redding

Ik reed samen met Sarah richting de boerderij. Een half uurtje later waren we bij de boerderij aangekomen. Ik maakte Sarahs gordel los, pakte haar op en hing mijn tas over mijn schouder. We liepen rustig naar binnen en pakten wat te eten uit de keukenkasten. Ik gaf een glas water en een zakje snoep aan Sarah. Ik liet haar rustig op de bank zitten terwijl ik naar de kelder liep. Ik pakte mijn opa’s oude Colt M1911 en wat extra munitie uit de kelderkast. Terwijl ik dat uit de kast pakte, zag ik een dagboek liggen waar in vetgedrukte letters iets opstond: Pas lezen op 18 april 2025. Ik pakte ook nog een zak met oude speeltjes van mij, voor Sarah. Ik hoorde opeens geschreeuw van boven komen. Ik rende naar boven. Sarah was aan het schreeuwen, omdat er een grote spin op haar hoofd liep. Ik pakte een kussen en sloeg voorzichtig de grote spin van haar hoofd. Ik tilde Sarah op en liep naar mijn boomhut. We klommen naar boven. Eenmaal boven, zette ik Sarah op een stoeltje. Ik gaf haar een pop om mee te spelen.

Terwijl zij aan het spelen was, pakte ik mijn zelfgemaakte digitale schermhorloge met navigatie. Die had ik vroeger met mijn opa gemaakt. Ik keek door het houten raam van de boomhut en zag dat de zombies onze kant op kwamen. Ik pakte mijn telefoon en toetste het nummer van mijn vader in.

Hij nam niet op. In de verte hoorde ik een helikopter aankomen. De helikopter kwam dichter- en dichterbij tot hij bij de boerderij landde. Ik pakte Sarah op en rende naar de helikopter.

We waren bijna bij de helikopter aangekomen en toen pakte een zombie mijn tas beet.

Ik probeerde de zombie weg te trappen. Er liepen ook mensen met wapens naar ons toe en zij schoten wat zombies neer. Ik pakte snel met een hand een mes uit mijn tas en ik stak het in de hoofd van de zombie. De zombie liet de tas  en ik rende zo hard mogelijk naar de helikopter. Eenmaal bij de helikopter aangekomen, pakte een van de mannen Sarah van mij over en ik klom zelf in de helikopter. De mannen die nog buiten de helikopter waren werden aangevallen door de zombies. Er kon nog maar één man in stappen, want de anderen waren te laat. We waren in lucht en zagen hoe de mannen in stukken werden gescheurd. Na een lange rit met de helikopter gevlogen te hebben, kwamen we aan bij de V.R.C dat ook wel betekent: Virus Resistant Community. Mijn vader is daar de baas. Zij zorgen ervoor dat er onderzoek wordt gedaan als er een virus uitbreekt en dat iedereen geholpen wordt.

Eenmaal uitgestapt uit de helikopter, brachten de mannen ons twee naar een kamer waar een stapelbed stond. Een van de mannen zei: “Jeffrey, je wordt zo beneden verwacht, dus schiet wel even op.” Ik knikte terug. Ik gaf Sarah haar speelgoed. Ik liep rustig naar beneden waar mij vader mij stond op te wachten. Hij rende naar mij toe en knuffelde me zo hard dat ik bijna geen lucht meer kreeg. Hij fluisterde heel zachtjes is mijn oor: “Ik moet je wat vertellen. Loop met me mee.” Ik liep met hem mee en tijdens het lopen vertelde hij dat het Corona virus was geëvalueerd in de D.A.V dat betekent: Deadly Aggressive Virus. Hij zei: “We moeten hier blijven om te overleven en een manier vinden om D.A.V te bestrijden.”
‘’Hoe zit het dan met de overlevenden buiten? Gaan wij ze helpen?’’, vroeg ik.
Mij vader zei: ‘’We gaan zoveel mogelijk mensen redden, maar in de tussentijd moeten we zelf hier blijven overleven.’’

We waren aangekomen bij een ruimte waar allemaal robots in ontwikkeling waren en waar geïnfecteerde mensen met D.A.V waren. Er werden testen op die mensen gedaan.

Mijn vader zei dat ze robotharnassen aan het ontwikkelen waren voor buitenverkenning. Hij vroeg aan mij of ik de mensen wilde helpen met ontwikkelen van de harnassen. Ik zei: “Nee, maar mag ik wel mijn eigen werkplaats?” Hij zei met een serieus gezicht: “Ja, op één voorwaarde: dat je de mensen wel een paar tips geeft.’’ Ik ging daar mee akkoord en liep terug naar mijn kamer.

 

Hoofdstuk 3: Het heden

Datum: maandag 7 April 2025.

Ik heb al verteld hoe ik hier ben gekomen. Ik ga nu vertellen hoe het gaat aflopen, maar ik weet eigenlijk niet hoe omdat het nog niet gebeurd is, dus ik vertel hoe de situatie nu is.
Ik ben nu niet meer 16 jaar, maar 21 jaar oud, want we zijn 5 jaar verder. Ik werk al vijf jaar lang aan een harnas met de geavanceerde nieuwste gadgets. Ik zal uitleggen hoe die harnas eruitziet: het heeft een helm dat eruitziet als een mix van een motorhelm en een paintballmasker. In de helm zit een ingebouwde computer. Net als die van de oude superhelden strips van Iron Man. Het harnas bestaat voor het grootse deel uit vibranium: dat is een soort metaal dat absorbeert wanneer er op geslagen wordt. Het harnas heeft een setje kniebeschermers van vibranium en een body van vibranium. Op de body zit een plasmakanon. Een van de twee armen heeft een behuizing om de arm waar stroom door begeleid wordt en de andere arm heeft een soort van handschoen waar een halo (de game) zwaard uitkomt. In de kern van de body zit de energiebron van het harnas. De energiebron is een soort van water, maar geen echt water, want deze geleidt geen elektriciteit. Er zitten ook nog op beide schouder kleine zonnepanelen. De kleuren van het harnas zijn in het algemeen zwart, maar op bepaalde plekken is lichtblauwe verlichting. ‘’Hey Jeffrey’’, zegt Sarah. Ik zag Sarah in de verte staan. Ohja, Sarah is niet meer 10 jaar oud, maar 15. Ze is een maand geleden begonnen met trainen voor de missies over een week. Sarah liep rustig naar me toe en vroeg of ik met haar een oefengevecht wilde doen. Ik zei daarop: “Ja, maar met één voorwaarde: als ik win, dan ga jij mijn harnas mooi oppimpen met graffiti spuitbussen. En als jij wint, krijg jij je eigen zelfgemaakte wapen naar keuze.” Ze ging daarmee akkoord. Terwijl we naar de trainingzaal liepen, zag ik mijn vader met mijn stiefmoeder. Ik haat mijn vader al sinds mijn geboorte, want hij had mij pas op mij 12e verteld dat zij niet mij echte moeder was. En dat mijn echte moeder aan een hartstilstand was overleden toen ik nog maar 3 maanden oud was. Toen ik 13 was zei mijn vader op een zonnige dag: ‘’Ik ga ijs halen, ben zo terug.” En weet je wat? Hij kwam nooit terug. Ik heb 2 jaar zonder ouders moeten leven. De huur zelf moeten betalen door geld te verdienen bij een computerbedrijf en op te passen op de buurtkinderen. Wat eigenlijk altijd wel leuk was, maar ja ik moest zonder ouders leven. Mijn vader stuurde begin van het jaar 2020 een pakketje met een brief. In dat pakketje zat een mobiele telefoon. In de brief stond dat ik het moest gebruiken bij nood en er stond maar één nummer in. Het nummer had ik in mijn eigen betere telefoon gedaan. We waren eindelijk bij de zaal aangekomen. We pakte beiden onze favoriete trainingwapens. Die van mij is de katana en die van Sarah zijn twee grote hunting messen. We deden ons bescherming aan en gingen op de mat staan om te beginnen. Nog één ding: de wapens zijn niet scherp, dit is een training. We gaven elkaar de hand en gingen op onze plekken staan. Een van de begeleiders, Lucas, telde tot drie. 1, 2, 3 en we waren begonnen. Ik probeerde dicht bij Sarah te komen, maar terwijl dat gebeurde probeerde zij mij te tackelen. Uiteindelijk lag zij op de grond en stond ze snel op. Terwijl Sarah aan het opstaan was, wist ze niet meer waar ik was.
Ik pakte haar in de rug en stak haar nep. We begonnen aan de tweede ronde. Ik werd door haar getackeld, lag op de grond en stond met een sprong op. Toen sprong zij op mij en pakte mij bij de keel. Nu staat het gelijk. We begonnen aan ronde drie. Ik sprintte op haar af en pakte haar bij haar armen.  Zij duwde mijn voeten met haar voeten naar achteren, lag op mij en stak mij nep in mijn hart. We stonden weer op en toen zei Sarah: “Goed gevochten.” Daarop terug zei ik: “Volgende keer heb ik je.”
Ik vroeg aan haar wat voor wapen ze wilde en toen zei ze: ‘’Ik wil een elektrische holografische pijl en boog.” Ik zei: “Komt voor de bakker.”
“Nog één ding”, zei ze ‘’Ik wil alsnog wel je pantsergraffiti.’’ Ik zei daarop dat ik het heel graag wilde en dat ze morgen bij mijn werkplaats kon komen. Om het te bespuiten met graffiti terwijl ik bezig ben met haar wapen. Ze zei: “Ik ben er om twaalf uur. Met mijn eigen graffitibussen.” Toen liep ze weg.

 

Hoofdstuk 4: Het einde

Datum: dinsdag 18 April 2025.

“Ik heb het af!” zei ik tegen Sarah. Sarah zei erop terug dat ze bijna klaar is. Ik ruimde mijn rommel op. Tijdens het opruimen vond ik mijn tas die onder de werktafel lag. Ik pakte mijn tas eronder vandaan en keek wat erin zat. Er zat een mes in onder gedroogd bloed en een blikje cola, nog een klein beetje munitie en helemaal onderin van de tas lag een dagboek met erop geschreven: Pas openen op 18 april 2025. Ik pakte het dagboek en ging op een plek zitten bij de werkplaats. Ik opende het dagboek en op de eerste bladzijde stond: Je zult schrikken als je de volgende bladzijde leest. Ik sloeg de bladzijde om. Daar stond: Dit is geschreven op: 6 April 2010. Over precies 10 jaar breekt er een virus uit. Het virus heet Corona en ontwikkelt zich uiteindelijk tot een zombievirus. Het nieuws geeft op dat moment aan dat er een vrachtwagen geëxplodeerd is met giftige stoffen en dat iedereen naar het noorden moet rijden. Wat daar gebeurt weet ik nog niet, want ik weet niet hoe mensen dan denken. Maar ik weet wel wat het virus is en hoe je hem kan bestrijden. Terwijl ik dat las, was Sarah klaar en liep ze naar met toe en vroeg: “Wat lees je daar?” Ik zei daarop terug dat ik een dagboek aan het lezen was en dat erin staat wat er op 6 april 2020 was gebeurd en dat het is geschreven op 6 april 2010. Ze keek me met een raar gezicht aan en pakte het dagboek. Ze bladerde door het dagboek en zag dat ik gelijk had. Ze kwam naast me zitten en samen lazen we bladzijde voor bladzijde tot we op de bladzijde kwamen waarop stond dat de ziekte te genezen was door een speciale geluidfrequentie. De speciale band waar het geluid op zat, lag onder de boerderij van mijn opa en oma. De ziekte vindt plaats bij de oren, want daar zitten de agressieve hersenbacteriën aan tasters. We waren klaar met lezen en besloten dit aan de baas te vertellen (mijn vader). We renden zo hard mogelijk naar mijn vader en gaven het dagboek aan hem en zeiden tegelijk: “Lees het alsjeblieft nu door! Het is een noodgeval.” Hij opende het dagboek en las hem zo snel mogelijk door. Hij was klaar met lezen en zei tegen ons twee: “Ik ga zo snel mogelijk onderzoek doen en mensen op de boerderij af sturen. Gaan jullie maar naar jullie kamer, ik zeg het wel als het gelukt is.’’
Hij rende zo snel mogelijk naar de overlegkamer met alle andere leiders. We liepen rustig naar onze kamer. Sarah vroeg aan mij of het zal lukken en ik zei dat het vast wel zou lukken.
Ik nam afscheid van Sarah en liep door naar mijn kamer. Eenmaal aangekomen, plofte ik op mijn bed neer en viel in slaap.


Tot mijn laatste adem
Door: Luca Kass Gorgos (2H1)

Samen

Hoofdstuk 1

Polen

Ik houd mijn moeders hand vast terwijl de vloer onder mij schudt. 

Mijn moeders tranen glijden langs mijn hand naar beneden. De harde geluiden komen dichterbij. De vloer begint nog harder te schudden. Het cement laat los en er vallen grote stukken naar beneden. Ik voel me opgesloten. Zo voel ik me altijd, maar nu is het anders. Mijn hart slaat kloppen over. Kinderen… vaders en moeders allemaal houden ze elkaar vast. Voor even waardeer ik echt… dat ik zo’n fijn leven had. Tot.… de harde geluiden stoppen. Vogels beginnen weer te fluiten. Ik knuffel mijn familie. Ik knuffel het enige wat ik nog heb. Maar op dat moment zag ik haar… haar mooie bruine haren glanzen in de zon die door de grote gaten naar binnen schijnt. Mijn hart slaat weer kloppen over, maar dit keer niet van angst. Haar mooie bruine ogen kijken mij recht aan.

 

Ik loop met mijn zusje van 10 uit de bunker. Ze rent meteen naar haar vriendinnen en speelt vrolijk. Het lijkt alsof zij geen zorgen heeft. Kon ik dat ook maar doen. Gewoon voor heel even nergens aan denken en plezier hebben met de mensen die je kent. Het meisje loopt nu ook naar buiten.

Mijn oudere broer ziet dat ik naar haar kijk en lacht.

“Dat is Johanna”, zegt hij. Ik kijk hem aan. “Zij zit bij mij op school, ze is even oud als jij,” gaat hij verder. “Aleksander, Stanisław en Natalia komen jullie
nog?”, zegt moeder. Mijn zusje zegt snel gedag tegen haar vriendinnen en rent naar mijn ouders. “Wij komen zo!”, roepen mijn broer en ik. We willen eerst op avontuur. Mijn broer en ik houden allebei wel van een avontuurtje. Maar echt vrolijke avontuurtjes zijn het niet.

De geur van verbrand hout prikt in mijn neus. Het as van hout en cement irriteert mijn ogen. Mensen komen bijeen bij het gevreesde bord waar alle namen op staan van omgekomen mensen. Vrouwen die naar hun man zoeken. Ouderen die naar hun kinderen zoeken. Jonge ouders die naar hun kinderen zoeken. Het is afgrijselijk om te zien hoeveel verdriet er lijdt.

Dat is het doel van de nazi’s. Meer kunnen ze niet, meer durven ze niet.

Want diep van binnen zijn we allemaal hetzelfde. Allemaal mensen.

Terwijl mijn broer en ik verder lopen, komen we aan bij het vernielde gedeelte van de stad. Niks staat nog overeind. Alles is plat gebombardeerd of is platgebrand door de branden die ontstaan zijn door de bommen. We lopen naar de hut waar wij onze fietsen verstopt hebben en pakken ze. We fietsen richting een spookdorp dat we vorig week ontdekt hadden. De vorige keer schrokken we ons dood door een kip. “We zijn nooit verder gereden dan dit punt… laten we verder gaan’, zegt mijn broer. “Ik weet het niet’, zeg ik. “Er kan niks gebeuren, kom!”, zegt hij en hij fietst snel verder voordat ik nog iets kon zeggen.

Ooit was dit een druk dorp. Daar liepen misschien kinderen. En daar een oma en een opa. Daar misschien een boer. Maar nu, hoe het er nu uitziet kunnen we ons dat niet voorstellen. De afgebrande huizen. De kapot geschoten auto’s. Een ingestort ziekenhuis. We konden ons zoveel dingen niet voorstellen, zoals de gruwelijke verhalen over de Nazi’s. Maar in de wereld waar wij nu in leven is alles mogelijk. Dat hebben de Nazi’s bewezen.

We fietsen verder. We komen aan bij het ingestorte ziekenhuis. We fietsen er even omheen en zien een gedeelte dat niet is ingestort. Mijn broer kijkt mij aan en ik weet wat dat betekent; hij wil naar binnen. Ik wil hem tegenhouden, maar ik weet dat ik toch ga verliezen. We leggen onze fietsen onder een laken en gaan naar binnen. We komen door de eerste deur, maar de tweede zit op slot. Mijn broer zoekt voor een ingang. “Laten we gaan, anders worden moeder en vader ongerust.”, zeg ik. Hij negeert mij en zoekt verder. Na een tijdje vindt hij een gebroken raam. We gaan naar binnen en komen in een grote zaal vol met ziekenbedden.

Nog geen maand geleden lagen hier allemaal soldaten. Soldaten die gevochten hadden. Soldaten die niet wisten wat er met hen ging gebeuren. Ze hadden de gruwelijke fronten gezien. De nieuwe tactieken van de Duitsers waren gruwelijk. Deze mannen waren misschien maar een paar dagen aan het front geweest. Ze zagen het niet aankomen. Ze schoten naar voren, terwijl ze van achteren kwamen. Het waren geen gewone gevechten. Het waren massale moorden. De Duitsers trokken verder, dus hebben ze dit ziekenhuis geëvacueerd.

 

Alleen

Hoofdstuk 2

Geannexeerd Polen

Terwijl we terug fietsten naar huis kwamen we onze oom en neef tegen. We praatten even tot we een enorm harde knal hoorden. We hoorden gegil. We fietsen verder naar de stad. En komen een groep vluchtende mensen tegen. Ook Johanna zit daarbij. Ik kijk haar aan en ze kijkt terug. Ze waarschuwen ons, maar we gaan verder. We komen aan bij ons huis en.. BOEM.

Nog niemand wist het, maar onze stad stond nog als enige overeind. De rest van Polen was al verslagen. Ze hebben bijna iedereen vermoord. Ze hebben bijna elke gebouw verwoest. Alleen kinderen konden het nog navertellen. Zij waren klein genoeg om zich te kunnen verstoppen. Zij hadden wel geluk nodig om het juiste gebouw te kiezen, want zelfs kelders overleefden het niet.

Ik probeer mijn armen te bewegen. Ik probeer mijn benen te bewegen, maar ik zit vast. “Help.. HELP!”, roep ik. ‘Aleksander!’, roept mijn vader. Ik hoor hem stenen opzij schuiven. Ik probeer uit de kelder te kruipen en knuffel mijn vader. Dan. Achter hem zag ik hem. Mijn broers lichaam. Stil. Levenloos. “Stanisław!”, roep ik, “wordt wakker!” Maar hij blijft stil liggen. Ik knuffel mijn vader en ook mijn oom heeft het overleeft, maar mijn neef niet. Ik vraag over de rest van de familie, maar hij zegt niks. Ik weet wat dat betekent. “Laten we ga-“ BOEM. Nog een knal. Ik ren weg met mijn vader. Ik hoor kogels langs mijn oor vliegen.
Mijn oom pakt een pistool en rent naar een gebouw waar meer mensen vechten. Even later wordt hetzelfde gebouw opgeblazen. Nog een knal en nóg een. Mijn vader staat stil en kijkt recht voor zich uit. “Vader kom mee!’, roep ik,  maar hij blijft stil staan. Hij zakt door zijn knieën en ik zie bloed bij zijn schouder. Hij houd mij vast en zegt “Je moet naar… je moet.. je moe-“

Hij wordt zwaarder en zegt niks meer. Ik weet wat dat betekent en leg hem neer en doe zijn ogen dicht. Ik knuffel hem. Ik knuffelde het enige wat ik nog had…


Tweestrijd

Door: Anoniem

Anne:

Ik voel de druppels op mijn huid, het regent. In de verte zie ik Tygo staan, hij is Sam weer eens aan het treiteren. Ik loop ernaartoe “Stop”, zeg ik. Tygo verstijft. “Anne, dit is niet wat je denkt”, stottert hij. “Ik denk dat ik heel goed weet wat jij doet, ik denk dat je Sam alweer aan het pesten bent. Je bent 15, ben je daar niet wat te oud voor geworden”? Ik zie aan zijn gezicht dat het de waarheid is. “Wanneer ga je hier mee ophouden?”, vraag ik. Hij kijkt erg beteuterd. Ik roep naar hem dat hij naar huis moet gaan. Beschaamd loopt hij weg. Terwijl hij me bedankt dat ik hem gered heb, geeft Sam me een knuffel. “Hoe durfde je dat tegen hem te zeggen?”, vraagt Sam aan me. “Oh gewoon”, antwoord ik vaag om zijn vraag te ontwijken. Niemand mag weten dat wij iets hebben. Tygo en ik, de populaire, knappe, pestende jongen met het stille, verlegen meisje. “Ga maar snel naar huis, dan praat ik wel met Tygo. Ik zie je morgen op school wel weer.” Met een gehaaste “Tot morgen” loopt Sam snel naar huis. Als hij helemaal verdwenen is, ga ik langzaam op weg naar Tygo. Als ik bij zijn huis kom, zit hij al op het muurtje op me te wachten, hij ziet me. Snel dooft hij zijn sigaret onder zijn schoen. Hij weet dat ik niet van roken houd.

Tygo:

Shit, is de eerste gedachte als ik Anne aan zie komen. Ik doof snel mijn sigaret. Te laat, ze heeft het al gezien. Ik weet dat ze over het voorval met Sam gaat beginnen. Ik weet ook niet waarom ik Sam altijd pest, ik denk omdat het me populair maakt. Bij alles dat ik tegen Sam zeg, doet hij niks en de hele klas vindt me cool. Behalve Anne, het enige meisje waarvan ik wil dat ze me cool vindt. Het is altijd al zo geweest. Tot een paar weken geleden dan. Ik viel van mijn fiets en bloedde, toen kwam ze aanlopen. Ze hielp me overeind en vroeg: “Gaat het?”. Ik antwoordde toen snel dat het wel ging. Ik hoopte dat ze me geen mietje zou vinden. Ze liep met me mee naar huis. Onderweg kletsten we over van alles en nog wat. Bij mijn huis bedankte mijn moeder haar voor het thuisbrengen van mij en bood haar wat drinken aan. Ik verwachtte dat ze zo snel mogelijk weer naar huis zou willen, niet dus. Ze kwam binnen en dronk thee met ons, zo begon het. Na die dag bleef ik steeds vaker treuzelen na school in de hoop dat ik haar kon spreken. We begonnen af te spreken. Ik werd verliefd, zij ook. Maar alleen op de Tygo die ik na school was. Tijdens school, als ik Sam aan het treiteren ben, keurt ze me geen blik waardig. Daar baal ik van. Ik wil wel veranderen, maar ik ben bang dat niemand dan nog mijn vriend wil zijn. Hoe gaat dat me lukken?

Anne:

Het eerste dat ik denk is: waarom altijd Sam? Ik vraag het Tygo. Hij kijkt naar de grond. “Kijk me aan”, zeg ik en hij kijkt op. Ik zie dat hij spijt heeft. Maar dat wil niet zeggen dat hij er mee ophoudt, dat is een ding dat ik zeker weet. Hij weet net zo goed als ik dat dit niet goed af gaat lopen. “Ik ben er klaar mee Tygo, met al dat gepest van jou.”
“Het zal echt niet weer gebeuren, ik beloof het.” Zodra ik mijn zin begin weet ik al dat ik er spijt van ga krijgen, maar dat het wel beter is zo. “Dit kan zo niet langer, ik maak het uit.” Hij krijgt oprechte tranen in zijn ogen. “Ik snap het. Maar kan ik het ooit nog goedmaken?” En ik meen het als ik zeg: “Ik weet het niet Tygo, ik weet alleen wel dat het gepest moet stoppen.” Na dat gezegd te hebben, draai ik me om en loop weg. Hij roept mijn naam. Ik kijk naar hem en hij zegt: “Het spijt me Anne, ik accepteer en snap het dat je het uitmaakt. Ik zal ook proberen te stoppen.” Ik wil zeggen dat het mij ook spijt en dat ik hem terug wil. Ik kan het niet. Het is beter zoals het nu is. Met pijn in mijn hart loop ik naar huis. Pas als ik in mijn kamer ben, begin ik te huilen. Mensen zeggen altijd dat de tijd terug zouden willen draaien, maar ik denk dat ik precies hetzelfde gedaan had.

Tygo:

Ik voel me helemaal leeg vanbinnen als ik naar huis loop. Zodra ik binnenkom, vraagt mijn moeder of ik thee wil. Ik hoef niet. Het doet me denken aan de eerste keer dat Anne hier was, ze was zo mooi. Ze is altijd al mooi geweest, ik wist het al vanaf het eerste moment dat ik haar zag. Ze is verlegen en terughoudend, ik ben arrogant en luidruchtig. Toch vertrouwde ze me. Dat gaf me een goed gevoel, ik was de enige die ze vertrouwde. Ik merk pas dat ik in mijn kamer ben als ik struikel over alle troep op de grond. Zo erg zat ik in mijn gedachten. Ik moet dit rechtzetten denk ik. Maar hoe? Ik zet alles even op een rijtje. Anne wil me niet meer omdat ik Sam altijd pest, volgens mij mag ze hem. Ik moet dus stoppen met het treiteren van Sam, alleen wie wil dan nog vrienden met me zijn als ik niet meer pest? Misschien moet ik aardiger zijn voor mijn klasgenoten. Dat is een goed idee. Ik moet iets verzinnen waardoor ik aardig ben maar iedereen me nog wel cool vindt en ik nog wel vrienden heb.

Anne:

In mijn hoofd herhaal ik het gesprek terwijl ik naar huis loop. Ik kan het niet geloven, ik heb het uitgemaakt met de populairste jongen van de klas. Het klopt gewoon niet. Ik zou het nooit uitmaken. Zeker niet met zo’n lieve jongen als Tygo, nou ja buiten school dan. Ik heb een hekel aan dat gepest van hem. Als ik thuis ben, loop ik direct door naar mijn kamer. Mijn ouders kijken naar me, ik voel hun ogen in mijn rug prikken. Ik loop nooit zonder een kop thee en een gesprek door naar mijn kamer. Dat is niks voor mij, ik hou ervan om gezellig met mijn ouders te praten. Nu denk ik alleen maar aan Tygo. Hij vroeg me of ik hem ooit kon vergeven. Dat weet ik zelf nog niet eens. Ik haat hem omdat hij altijd niet alleen Sam, maar ook andere kinderen aan het pesten is. Toch houd ik ook van hem, van zijn lieve kant die hij alleen laat zien als er geen anderen zijn. Zijn ouders waren erg blij toen we iets kregen; Tygo werd thuis veel vrolijker vertelden ze. Ik moet met ze praten. Tygo heeft vanavond training weet ik. Ook weet ik dat hij zal gaan, ondanks wat er gebeurd is. Basketbal heeft hem altijd opgevrolijkt, het is zijn uitlaatklep. Vanavond ga ik praten met zijn ouders.

Tygo:

Ik heb de hele middag in mijn bed gelegen als mijn moeder roept dat we gaan eten. We eten vroeg. Ik heb basketbaltraining. Zoals iedereen weet is basketbal mijn passie. Ik mag wel opschieten als ik nog op tijd wil komen voor de training. Snel eten dus. Dan kan ik me nog snel omkleden en een tas inpakken om te douchen. Na dat gedaan te hebben, spring ik op mijn fiets en race weg. Klerezooi, ik ben te laat, dat worden strafrondjes rennen na training. We doen veel partijtjes. Ik speel slecht. Ik laat de bal steeds uit mijn handen vallen en scoor niets. Geen bal gaat goed. Na de training ben ik uitgeput. Als ik thuis kom, loop ik direct naar boven en probeer te bedenken wat ik ga doen voor de klas. Het moet een grote verrassing worden voor iedereen. Ook voor Anne. En opeens weet ik het. Het is perfect! Ik ga direct aan de slag. De hele avond ben ik druk bezig. Ik ga door tot ik aan mijn bureau in slaap val.

Anne:

Tygo eet vroeg als hij basketbaltraining heeft, dus vraag ik mijn moeder of ik ook wat eerder mag eten. Als ik mijn eten op heb, zeg ik dat ik met een vriendin ga leren. Bij zijn huis zie ik dat zijn fiets er nog staat. Hij komt nooit te laat voor training. Vreemd. Ik wacht wel. Na tien minuten zie ik hem wegfietsen. Ik loop naar de deur en bel aan. Zijn moeder doet open. “Hallo Anne, wat leuk je weer te zien.”, zegt zijn moeder. “Het is ook leuk u weer te zien mevrouw.”, zeg ik. “Je hebt Tygo net gemist, hij fietst net weg.” Ik vertel haar dat ik niet kom voor Tygo. Ze kijkt verbaast en vraagt waar ik dan wel voor kom. “Ik wil met u praten”, antwoord ik. Dan mag ik binnenkomen. Als ik een paar minuten later met een kop thee met haar aan tafel zit begin ik. “Ik wil het graag met u hebben over Tygo en mij, want ziet u: wij hadden iets.” Ze begint te lachen en zegt: “Maar dat wisten toch allang meisje.” Ik kijk haar verschrikt aan, we hebben zo geprobeerd het geheim te houden. “Maar hoe?”, vraag ik. Ze vertelt hoe ze het hebben gezien. Het klinkt eigenlijk heel logisch als ze het zo vertelt. Als ik uitgelegd heb waarom ik het uitmaakte kijkt ze verdrietig. Ik ben allang blij dat ze me begrijpt en troost als ik begin te huilen. Het voelt of er een hele last van mijn schouders is als ik de deur uitstap en naar huis fiets.

Tygo:

Zaterdag, mijn favoriete dag. Meteen als ik wakker word, verstuur ik de berichtjes die ik gisteravond heb geschreven naar mijn klasgenoten. Er staat in dat ik me afvraag wanneer ze een keer met zijn allen bij mij thuis kunnen afspreken. Ik heb er niet bijgezet waarom. Dat is een verrassing. Ook heb ik een chatgroep gemaakt, daarin kunnen we overleggen welke dag iedereen kan. Ik ben blij dat mijn moeder zonder te vragen mijn ontbijt naar boven brengt. De hele dag zit ik in mijn kamer. Ik ben net druk bezig als ik gebeld word, het is mijn vriend Stefan. Hij vraagt waarom ik de hele klas bij mij uitnodig, ik antwoord geheimzinnig “Dat zie je pas als je komt.” Dan hang ik op. Ik moet nog veel voorbereiden. In de chat lees ik dat het vrijdag wordt, mooi dan kan ik Anne daarna het hele weekend ontlopen. Snel ren ik naar beneden. “Mam, kan de klas vrijdag komen? Het is erg belangrijk voor me.”
“Natuurlijk!”, is het antwoord van mijn moeder. Dat gaat dus door. Ik stuur direct even een berichtje in de chat: Vrijdag zijn we om 14:00 vrij, ik moet dan nog wat voorbereiden dus dan zijn jullie welkom om 14:30. Nu nog naar de winkel.

Anne:

De hele klas is vrijdag uitgenodigd bij Tygo thuis. Ik vertrouw het niet, toch ga ik. Hij zit constant in mijn hoofd. Ik kan niet stoppen met aan hem denken. Het is nu donderdag en hij ontloopt me al de hele week. Ik heb geen idee wat ik moet verwachten dat er gaat gebeuren bij Tygo. Thuis probeer ik me te concentreren op mijn huiswerk. Het lukt me niet. Bij alles dat ik doe denk ik wat hij gedaan zou hebben, zou hij zijn huiswerk maken of niet? En zo ja voor welke vakken dan? Ik kan er niet meer tegen. Ik moet even afleiding hebben en ga het park in. Het park maakt me rustig. Dat is altijd al zo geweest. De natuur kalmeert me. Op een bankje bij de vijver ga ik zitten en pak mijn gedichtenbundel. Net als met Tygo mag niemand weten dat ik gedichten schrijf. Met mijn potlood in mijn hand denk ik na. Uiteindelijk na een halfuur is het af.

Als een dief in de nacht, stal hij mijn hart en nam de macht.

Toch was dat maar een deel, vanaf dat moment was mijn hart niet meer heel.

Het was gebroken, en dat niet alleen door het roken.

Ook heb ik het niet aan een ander verpand, het behoorde aan hem constant.

Toch maakte ik het uit, dat is het dat op een tegenstand stuit.

Dit gedicht is voor een speciale jongen, en helaas een met verpeste longen.

Tygo dit is voor jou, omdat ik nog altijd van je hou.

Ik hoop dat ik je ooit kan vergeven, want het bleek dat pesten is waarin jij ben bedreven.

Dat vind ik echt niet goed, en ik denk dat je nu wel beseft wat het doet.

Ik hou van je Tygo.

Tygo:

Vrijdag na school ga ik direct naar huis. Ik moet me voorbereiden, de klas komt zo. Als ik net klaar ben, wordt er aangebeld. Daar zijn ze. Ik ben bang, maar ook hoopvol. Zodra ik de deur opendoe zie ik Anne. Ze is zo mooi. Ik laat iedereen binnen en zorg voor drinken. Als iedereen zit kijken ze me verwachtingsvol aan. “Hallo allemaal en bedankt voor het komen. Ik heb jullie gevraagd om hierheen te komen, omdat ik graag met jullie erbij mijn oprechte excuses aan wil bieden aan Sam. Sam, het spijt me echt heel erg en dat meen ik. Ik ga mijn best doen je met rust te laten en hoop dat je me ooit zult vergeven voor wat ik allemaal heb gedaan.” Het begon een beetje onzeker maar dat komt wel. Nu maar hopen dat hij het me ooit zal vergeven. Sam kijkt me aan en zegt: “Ik waardeer het dat je me met rust zal laten en weet nog niet wanneer ik zal kunnen vergeven, maar ik denk dat dat wel gaat lukken.” Ik kijk hem dankbaar aan. “Nu we dat gehad hebben, dacht ik dat het wel leuk zou zijn om gewoon samen spelletjes konden doen.” En ik wijs naar de tafel, waar ik de spellen klaar heb gelegd. Iedereen is het eens en het is een gezellige middag.

 

Anne:

Nadat Tygo zijn excuses aan heeft geboden, spelen we spelletjes. Ik wil hem graag nog een keer spreken. Alleen. Als hij naar de keuken loopt voor wat drinken ga ik achter hem aan. “We moeten praten Tygo.” Hij draait zich om. “Kunnen we heel even naar buiten?” Hij gaat me voor. Eenmaal buiten begin ik: “Het spijt me dat ik het uitmaakte, maar ik vond dat je in moest zien dat je als je Sam pest, je mij ook pijn doet.” Hij snapt het. Dan gaat hij op een knie zitten en vraagt: “Lieve Anne, wil je mijn vriendin zijn?” Ik begin te blozen. “Natuurlijk wil ik dat Tygo.” Dan neemt hij me in zijn armen. Dan weet ik eindelijk iets dat ik me al maanden afvraag, hoe zijn lippen voelen op de mijne. Dan laat hij me los. Veel te vroeg voor mijn gevoel. “We moeten maar weer eens naar binnen.”. zegt hij. Ik knik en volg hem.

Tygo:

Ik voel nog steeds haar zachte lippen als we naar binnen lopen. Dan merk ik dat iedereen ons aankijkt. “Was het leuk buiten?”, vraagt Stefan. “Geweldig.”, antwoord ik. Dit keer meen ik het. Ik zou willen dat ik haar nog een keer kon kussen. Waarom niet vraagt een stem in mijn hoofd. Wat kan mij het nog schelen denk ik en dan kus ik haar. We stoppen pas als iedereen begint te klappen. Ze willen dus nog steeds mijn vrienden zijn. Dat geeft me een erg goed gevoel. Eindelijk kan ik het hardop zeggen “Anne is mijn vriendin en daar ben ik trots op.” Als het avond begint te worden, zeuren we net zolang bij de ouders dat iedereen mag blijven eten. Het is een geweldige avond. Als ik eindelijk in bed lig kan ik alleen nog maar aan Anne denken. We hebben morgen afgesproken. Dan herinner ik me dat ze me een briefje heeft gegeven.

Lieve Tygo,

Ik weet dat ik het moet vergeten, maar ik vond dat je mocht weten dat ik een gedicht over je schreef:

Als een dief in de nacht, stal hij mijn hart en nam de macht. Toch was het maar een deel, vanaf dat moment was mijn hart niet meer heel. Het was gebroken, en dat niet alleen door het roken. Ook heb ik het niet aan een ander verpand, het behoorde aan hem constant. Toch maakte ik het uit, dat is het dat op een tegenstand stuit. Dit gedicht is voor een speciale jongen, helaas met verpeste longen. Tygo dit is voor jou, omdat ik nog altijd van je hou. Ik hoop dat ik je ooit kan vergeven, want het bleek dat pesten is waarin jij bent bedreven. Dat vind ik echt niet goed, en ik denk dat je nu wel beseft wat het doet. Ik hou van je Tygo.

Ik vond dat je het moest weten. Liefs Anne.

Ik weet niet wat ik ervan moet denken. Ze zegt dat ze altijd van me hield. Slapen lukt niet. Ik denk alleen maar aan haar briefje. Ze zegt dat ze van me houdt, maar weet niet of ze me kan vergeven. Ik hoor de druppels op het raam, het regent. Ik hou van de regen. En van Anne.